Onze welvaart begint en eindigt met de export: dat inzicht is nog veel te weinig bekend

Opinie van 27/09/2019 door Fa Quix

Het was verheugend nieuws dat Sioen Industries, met vestigingen in o.a. Ardooie en Moeskroen, de Leeuw van de Export in Vlaanderen op 18 september 2019 in ontvangst mocht nemen.

Topvrouw Michèle Sioen was persoonlijk aanwezig om, samen met haar exportmanager Jan Mortier, deze prestigieuze exporttrofee uit handen van Claire Tillekaerts, topvrouw van Flanders Investment and Trade, aan te nemen. 

Een mooie bekroning die eveneens bewees hoe onze industriële bedrijven van de Fedustria-federatie hun bestaansreden te danken hebben aan hun succes op exportvlak.

De cijfers liegen er niet om: in de textielindustrie wordt 75 % van de omzet gerealiseerd in het buitenland; in de hout- en meubelindustrie is dat 65 %. In feite liggen die cijfers nog hoger, want veel binnenlandse toelevering, bv. van garens voor de weverijen, houten plaatmateriaal voor de meubelfabrikanten, staan gecatalogeerd als ‘binnenlands’ terwijl ze na verwerking vaak vertrekken naar het buitenland. Voor een klein land als België is export ten andere de enige manier om te groeien als productiebedrijf. Want enig volume is immers altijd nodig in de industrie, ook in kmo’s.

Export brengt geld dat in het buitenland werd verdiend binnen in onze economie. En dat verhoogt de welvaart. En vanuit die verhoogde welvaart kunnen we onze sociale welvaartsstaat handhaven, ja zelfs verder uitbouwen. Want het geld dat door de export verdiend wordt, vindt zijn weg naar nettolonen voor de werknemers, maar ook naar bedrijfsvoorheffing en sociale bijdragen, en naar winstbelastingen. En ook naar nettowinst die in vele gevallen wordt geherinvesteerd om de productiemotor op toerental te houden. Als de export sputtert, draait de productiemotor immers ook niet op volle toeren, en komt de tewerkstelling (directe en indirecte) onder druk. En afgeleid ook onze welvaartsstaat.

Onze welvaart begint en eindigt bijgevolg met de export: dat inzicht is nog veel te weinig bekend. Dat merken we aan de vijandige houding tegenover de industrie bij sommige politieke partijen. Maar we horen dat ook vaak in het onderwijs, waar men weinig of geen notie heeft van hoe de welvaartscreatie nu precies ontstaat, en welke cruciale rol de industrie en haar export daarin spelen.

Of we merken het ook door opmerkingen als zouden we in het zogenaamde ‘postindustriële tijdperk’ zijn beland en we het wel zullen redden met diensten alleen. Niets is minder waar. Vooreerst zullen heel veel diensten verdwijnen als de industrie verdwijnt. Want hoeveel diensten hangen niet af van de industrie? Transport en logistiek, maar ook HR-dienstverleners zoals sociale secretariaten en interimdiensten, of milieuadviseurs, financiële specialisten (banken, accountants…) en verzekeraars, van goederenverzekeraars tot kredietverzekering. En we zouden er nog heel wat andere kunnen opsommen.

Wanneer industriële bedrijven en hun vertegenwoordigers steeds weer hameren op thema’s zoals competitiviteit (loonkost, energiekost), eenvoud (minder administratieve rompslomp), een gelijk speelveld (bv. tegenover buitenlandse concurrenten)… dan is dat precies met de bedoeling om de exportmachine draaiende te kunnen houden. Want ‘zonder export geen welvaart, en zonder industrie geen export’. Die leuze zou bij elke regeringsonderhandeling bovenaan op elk dossier moeten prijken. 

Fa Quix, directeur-generaal