Onze concurrentiepositie bewaken is de beste garantie op koopkracht

Opinie van 22/02/2019 door Fa Quix

Er is terug hoop dat het interprofessioneel overleg na de actiedag van de vakbonden van 13 februari jl. wordt heropgestart én tot een akkoord leidt. Een globaal kader voor de loon- en arbeidsvoorwaarden voor 2019 en 2020 is de beste garantie op serene onderhandelingen op sectorvlak, zoals in de textiel-, hout- en meubelsectoren, of op ondernemingsvlak (in bepaalde andere sectoren).

Het Technisch Verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven over de concurrentiepositie moet daarbij, zoals de wet het voorschrijft, het uitgangspunt blijven.

Maar niet alleen ‘omdat de wet het zegt’, al is die aangepaste wet er wel gekomen met de bedoeling om de concurrentiepositie van onze bedrijven niet in gevaar te brengen. 

Iedereen weet dat het verlies aan concurrentiekracht zich onvermijdelijk vertaalt in verlies aan jobs en dus ook verlies aan koopkracht!

De werknemers hebben tijdens de aflopende legislatuur wel degelijk meegenoten van de economische heropleving en van de koopkrachtverhoging.

En neen, niet alleen macro-economisch. Want het vakbondsargument is dat de totale koopkracht in België gewoon gestegen is omdat er meer mensen aan het werk zijn – ruim 200.000 extra jobs tijdens de voorbije 5 jaar. Zij betwijfelen of die koopkrachtstijging ook individueel het geval is geweest. Nochtans becijferden economie-professoren van de KU Leuven dat de taxshift alle inkomensgroepen ten goede is gekomen. Wij schatten dat dit voor de lagere inkomensgroepen zelfs iets meer dan gemiddeld moet geweest zijn, door de techniek van de taxshift. Over de hele periode van de legislatuur (tussen 2014 en 2019) zou dat voor hen een kleine maand nettoloon extra moeten betekenen, en dit ondanks de indexsprong.

Het is eigenaardig dat de vakbonden die taxshift proberen te minimaliseren. En vooral als een cadeau voor de werkgevers beschouwen. Nochtans gaat iets meer dan de helft van het taxshift-budget naar de werknemers, onder de vorm van hogere nettolonen, en minder dan de helft van het budget naar de werkgevers als lastenverlaging. En nog eigenaardiger is dat de vakbonden vóór de start van deze federale regering zélf pleitten voor een verkleining van de loonwig, met andere woorden voor een hoger nettoloon voor dezelfde brutokost. Dus een taxshift.

Maar de uitkeringstrekkers genieten niet van die taxshift, zo werpen de bonden dan op. Dat klopt. Het was de bedoeling iets te doen voor de actieven die al zoveel bijdragen aan de solidaire samenleving. Maar op de onderhandelingstafel ligt wel een enveloppe klaar van nagenoeg 700 miljoen euro die de vakbonden mee kunnen besteden aan de meest kwetsbaren in onze samenleving.

En de loonmarge zou niet hoog genoeg zijn? De vakbonden vergeten dat de automatische loonindexering, die de koopkracht op peil houdt, zo’n 3,8 tot 

4 % loons- en dus loonkostverhoging tot gevolg heeft. In elk ander land moeten de werknemers en hun vertegenwoordigers daar nog een hartig woordje over discussiëren. Hier niet. Hier is dat automatisch ‘verworven’. Het gaat dus niet om een loons- en loonkostverhoging na de komma, zoals zij beweren, maar wel van (loonmarge en indexeringen samengenomen) bijna 5 % op twee jaar tijd. ‘De index telt niet mee!’ zeggen de bonden. Denken zij dat wij aan onze (internationale) klanten kunnen zeggen dat onze prijzen omhoog gaan, maar de indexverhoging ‘niet meetelt’??

De beste garantie op koopkracht zijn gezonde bedrijven. De loonkostcompetitiviteit speelt daar een cruciale rol in. Een kleine, open economie zoals de onze is het aan zichzelf verplicht daar terdege mee rekening te houden.

Fa Quix, directeur-generaal