Niet meer of minder Europa, maar een beter Europa

Opinie van 28/07/2016 door Fa Quix

De aangekondigde uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie heeft heel wat discussie over de oorzaken ervan in beweging gezet. En daaraan gekoppeld heel wat voorstellen over hoe het nu verder moet. ‘Business as usual’ is in deze existentiële crisis geen optie. En méér Europa past niet in deze tijdsgeest. Anderzijds moeten we ons ervoor hoeden om het kind niet met het badwater weg te gooien. In feite is de vraag naar méér of minder Europa niet eens relevant. Want eens we kiezen voor een beter Europa, en we dit ook echt kunnen definiëren en stapsgewijs waarmaken, dan zitten we terug op het goede spoor.

Laat ons eerst toch de idee van een Europese superstaat die de EU zou zijn tot zijn juiste proporties terugbrengen: het hele budget van de EU bedraagt amper 1 % van de EU-economie (BBP). Met een overheidsbeslag van om en bij de 50 % in de meeste EU-lidlanden, waarvan dus het gros van de uitgaven in de nationale en regionale/lokale begrotingen zit, is de EU dus bijlange niet de grootste slokop. En ook niet te vergelijken met de veel grotere federale overheid in de Verenigde Staten (ruim 20 %).
 
Ook het zogenaamde gebrek aan democratisch gehalte is feitelijk onjuist. Natuurlijk gaat het om een getrapte democratie, waarbij de beslissingsmacht gedeeld ligt bij het (rechtstreeks) verkozen Europees Parlement, en bij de Raad, waar de topvertegenwoordigers van de lidstaten de beslissingen nemen. En die vertegenwoordigen de democratisch verkozen regeringen van die lidstaten. Zo heeft bv. de Britse regering de meeste beslissingen over de werking van de interne markt mee goedgekeurd.

Dat neemt niet weg dat er ergernis is over ‘die Europese regeltjes’ – alhoewel die toch nodig zijn om verschillen tussen de landen weg te werken, zodat een gelijk speelveld ontstaat. 

Of misnoegdheid over het gebrek aan sociale bescherming voor diegenen die niet winnen bij de globalisering – niettegenstaande het sociaal beleid bijna exclusief een bevoegdheid van de lidstaten is. Die ergernissen zijn begrijpelijk, maar eigenlijk niét de schuld van ‘Europa’. Als de lidstaten er niet bij meerderheid mee akkoord waren gegaan, zouden die regels er eenvoudigweg ook niet gekomen zijn.
 
Minder Europa zou betekenen dat we naar minder integratie zouden gaan en de zogenaamde ‘intergouvernementele weg’ bewandelen (afspraken tussen de landen onderling). Op termijn zou dit minder Europa betekenen, en eerder ‘een ieder voor zich’-politiek, waar de grote lidstaten méér hun voordeel zouden mee doen dan de kleinere.
 
Minder Europa betekent ook dat belangrijke problemen niet afdoende meer zouden kunnen worden aangepakt. Of zou de vluchtelingencrisis door elk land afzonderlijk efficiënter behandeld worden? En zouden de roamingkosten in de EU voor telefoon- en internetverkeer afgeschaft geraken zonder interventie van de EU? En zouden de banken sterker staan zonder Europese bankenunie? En is een energie-unie, met méér concurrentie en dus lagere prijzen, geen utopie zonder Europese integratie? Aan vrijhandelsverdragen met bv. de VS moet dan al lang niet meer gedacht worden zonder één sterk Europees onderhandelingsmandaat.
 
Europa heeft een duidelijke, belangrijke én unieke taak in de verbetering van de welvaart en het welzijn van haar EU-onderdanen. Maar dan moet zij zich meer concentreren op haar kerntaken. En daarover ook méér en duidelijker communiceren, daarin gesteund door de lidstaten (die op dat vlak al te vaak tekortschieten). En moet ze vermijden om té betuttelend en té bureaucratisch op te treden, want dat schaadt haar imago maar al te zeer. Laat ons dus gaan voor een béter Europa.
 
Fa Quix, directeur-generaal