Loonkosten: niet te vroeg victorie kraaien

Opinie van 02/02/2018 door Fa Quix

Eind januari waren de hoera-berichten van politici van alle meerderheidspartijen over de herwonnen loonkostencompetitiviteit niet te tellen. Waarover ging het? Een tussentijds rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (een orgaan waar vakbonden en werkgevers overleg plegen over economische aangelegenheden) was toen net gepubliceerd. Daarin stond dat de loonkostenhandicap tegenover 1996 (het jaar waarin de wet betreffende het concurrentievermogen in werking trad), eind 2016 weggewerkt was en in de periode 2017-2018 verder gunstig zal evolueren. In 2013 bedroeg die handicap (tegenover 1996 dus) nog 5,1 %. Op zich is dit een lovenswaardige prestatie.

Maar daarmee is lang niet alles gezegd. Vooreerst is er de vraag: wiens verdienste is dit? Eerlijkheidshalve dient gezegd dat de regering-Di Rupo reeds begonnen was met een beleid van loonstop en loonmatiging en het begin van een taxshift via het zogenaamde competitiviteitspact. Deze regering-Michel heeft er dan nog een ‘turbo’ op gezet door de taxshift af te kondigen en ook uit te voeren (in fasen), naast de indexsprong en de voortzetting van het loonmatigingsbeleid.

Vijf jaar later zien we dus dat dit beleid loont. Het resultaat is immers massale jobcreatie, netto zo’n 150.000 jobs meer in de huidige legislatuur. 

Al heeft ook de rugwind van de gunstige internationale conjunctuur hiertoe bijgedragen. Niettemin toch een pluim voor het regeringsbeleid.

Is hiermee de loonkostencompetitiviteit hersteld? Helemaal niet. Alleen volgens ‘de wet’ en die vergelijkt onze loonkostenontwikkeling met het gemiddelde van de drie buurlanden – Duitsland, Frankrijk en Nederland – en ten opzichte van 1996. Maar de loonkostenkloof die voordien tegenover diezelfde drie landen werd opgebouwd, verdwijnt daarmee natuurlijk niet. ‘Eén uur arbeid in België blijft nog altijd 10 % duurder dan bij de buren’ zo lichtte Het Laatste Nieuws zijn intussen twee miljoen lezers (incl. surfers) correct in. Inderdaad, de loonkostenkloof tegenover ‘de drie’ blijft nog altijd 10 %. Bedrijven die in de drie landen vestigingen hebben, bevestigen mij dit regelmatig (en wijzen erop dat die kloof in werkelijkheid eigenlijk nog groter is, maar laten we het houden bij de officiële cijfers).

En dan vergelijken we ons nog maar alleen met onze buurlanden. Echter, voor veel productiebedrijven in ons land komt de concurrentie niet alleen van daar. Evenzeer van Zuid- en Oost-Europa, en van verder, in Azië. En dat geldt voor alle industriële sectoren. De automobielsector, toch ook in hoge mate geautomatiseerd, drukte het onlangs als volgt uit in Trends (18 januari 2018 naar aanleiding van het autosalon): “Het irriteert mij dat men altijd vergelijkt met de buurlanden. Wij concurreren met Zuid-Europa, Oost-Europa en nog verder.” (Volvo-Gent-topman Eric Van Landeghem). En Patrick Danau, topman van Audi Brussels, vult verder aan: “De arbeidskosten in Spanje zijn tot 25 % lager. Per wagen is er al een loonkostenverschil van 200 euro.”

En natuurlijk scoren wij hoog inzake productiviteit. Hoe zouden onze bedrijven hier anders met die hogere loonkosten kunnen overleven? Maar zoals de autosector het ook aangeeft: overal ter wereld kan men dezelfde efficiëntie en kwaliteit halen. Dus blijft de loonkostenconcurrentie een belangrijk gegeven voor onze maakindustrie. Dat de politici dus maar niet te vroeg victorie kraaien. Het werk is op dat vlak nog lang niet af.

Fa Quix, directeur-generaal