Geen innovatie zonder goed onderwijs

Opinie van 22/12/2016 door Fa Quix

Onze bedrijven hebben nood aan goed opgeleide werknemers. Naast eigen opleidingsinspanningen rekenen bedrijven op een kwalitatieve instroom vanuit het onderwijs. 

Voor onze industrie is het daarom in eerste instantie belangrijk dat het specifiek technisch secundair onderwijs behouden blijft. Voor de hout- en meubelsector is er op dit ogenblik voldoende in- en uitstroom, maar voor het textielonderwijs is er nog slechts één secundaire school die textielonderwijs aanbiedt, met name het PTI in Kortrijk waar men ‘Textieltechnieken’ en ‘Ontwerp en Prototyping’ kan studeren binnen de richting textiel. 

Het is van het allergrootste belang dat ook deze specifieke arbeidsmarktgerichte opleidingen behouden blijven, en zelfs versterkt worden.

Daarnaast moet ook het niveau van deze opleidingen en van het onderwijs in het algemeen op peil staan. Maar de recente ‘reviews’ van het studieniveau van ons secundair onderwijs zijn daarover niet al te geruststellend. Dat blijkt uit de zopas uitgebrachte PISA-resultaten (PISA = Programme for International Student Assessment). PISA is een driejaarlijkse internationale studie die de leesvaardigheid en de wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid onderzoekt van 15-jarigen in geïndustrialiseerde landen. Deze PISA-resultaten maken een vergelijking tussen landen mogelijk en bieden een zicht op de evolutie in de tijd. Uit die resultaten blijkt dat ons onderwijs nog steeds hoog in de internationale ranglijst staat. Maar anderzijds zijn er nog grote uitdagingen. Wat zijn de grote lijnen? Er is zowel een probleem aan de ‘bovenkant’ als aan de ‘onderkant’ van de resultaten. 

Eerst de onderkant. Zowat 1 op 5 leerlingen in ons land haalt niet het minimumniveau voor wetenschappen en wiskunde. Of om het lapidair uit te drukken: ‘ze kunnen niet goed rekenen’. En zoals uit de tijdlijn blijkt, wordt die groep met de jaren groter. Nog een probleem: nergens is het verschil tussen allochtone en autochtone leerlingen zo groot als bij ons. En ook dat verbetert niet met de jaren. 

Het is duidelijk dat ons onderwijs er niet in slaagt de zwakkere groepen naar een hoger niveau te tillen. Uit ander onderzoeksmateriaal weten we dat laaggeschoolden ook een lage werkzaamheidsgraad hebben. 

Zij hebben het moeilijk om te kunnen functioneren in onze samenleving en aan de slag te gaan in onze bedrijven is evenmin een evidentie. Welke kansen zijn er voor die groep van jongeren dan nog weggelegd in onze gedigitaliseerde en steeds complexere samenleving? 

Maar ook aan de ‘bovenkant’ blijkt een probleem in ons onderwijs. Waar in een recent verleden (2003) nog ruim één derde van de leerlingen hoog presteerde voor wiskunde (34,3 %), is dat in 2015 gezakt tot amper 1 op 5 (20,7 %). Positief is wel dat in vergelijking met de andere industriële landen de Vlaamse leerlingen in wiskunde nog wel een hoog niveau halen. Maar steeds minder leerlingen behalen dus het échte topniveau. We zien dus een nivellering naar beneden. De resultaten in het Franstalig onderwijs scoren nog lager dan in het Nederlandstalig onderwijs.

“Dit is verontrustend voor onze toekomst, en zeker die van onze industrie die het in de globalisering moet hebben van creativiteit en innovatie. En daar is toptalent voor nodig”, zo reageerde Wilson De Pril, afscheidnemend directeur-generaal van Agoria Vlaanderen, in De Tijd. En voor toptalent is in eerste instantie het onderwijs, gefinancierd met overheidsmiddelen, verantwoordelijk. Topinnovatie is niet mogelijk zonder goed onderwijs!

Fa Quix, directeur-generaal