De vergrijzing is een koekoeksjong

Opinie van 26/10/2016 door Fa Quix

“Laat mij met het goede nieuws over de vergrijzing beginnen: we leven met z’n allen langer, en ook langer gezond. Dat is een fenomenale prestatie van onze samenleving, geholpen door de technologie”, zo begon destijds Frank Vandenbroucke menige toespraak als minister van Pensioenen en later expert van de Commissie Pensioenhervorming. “Maar laat me meteen ook het minder goede nieuws brengen: dat we langer leven legt ook een hoge druk op het systeem. We moeten dat dus ingrijpend hervormen”.

Het belang en de impact van de vergrijzing kunnen moeilijk overschat worden. Enkele cijfers om de uitdaging te schetsen: elke maand, ja élke maand, komen er in ons land 10.000 gepensioneerden bij, die gemiddeld ook allemaal steeds langer leven. En de kost? Elk jaar stijgen de totale pensioenuitgaven met 1,5 miljard euro, inderdaad per jaar, nu al zeker tot 2020. Als een federale regering op zoek gaat naar 3 miljard besparingen, dan is daarvan elk jaar de helft al opgesoupeerd door de stijgende pensioenlasten. Economieprofessor Gert Peersman van de Universiteit Gent drukt het als volgt uit: “Hoe we ook besparen, door de kosten van de vergrijzing krijgen we het gat in de begroting nooit gedicht”. 

De vergrijzingskosten, en dat zijn niet alleen de pensioenuitgaven, maar ook de stijgende kosten voor de gezondheidszorg voor de steeds grotere groep van gepensioneerden, is een koekoeksjong dat de budgettaire ruimte voor andere essentiële taken van de overheid helemaal verdringt.

Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Maggie De Block drukt het nog anders uit: “Vandaag zijn er 2,5 actieve mensen die bijdragen voor 1 zeventigplusser; in 2035 is dat maar 1,5”. Het spreekt vanzelf dat dat niet houdbaar is. En dus is het verwonderlijk dat de vergrijzing zo weinig aandacht krijgt in het regeringsbeleid. Het is vijf voor twaalf, maar paniekvoetbal is nu ook weer niet nodig, zoals prof. Jef Vuchelen (VUB) en Mark Scholliers doen in hun recente boek ‘Het grote pensioenbedrog’. Frank Vandenbroucke, nu als professor aan de Universiteit van Amsterdam, daarover: “Het stelsel zal niet direct instorten, maar het hervormingsdebat moet dringend gevoerd worden, op basis van objectieve gegevens”.

Wat kan het pensioenstelsel dan redden? Prof. Peersman is formeel: “Langer werken”. En dat betekent niet alleen het verhogen van de pensioenleeftijd – hetgeen absoluut noodzakelijk is, en met 67 jaar in 2030 zeker nog geen eindpunt bereikt heeft. Het betekent ook dat vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt ontmoedigd moet worden, en dat men sleutelt aan de gelijkgestelde periodes. Maar het betekent ook dat de werkzaamheidsgraad, d.w.z. het deel van de mensen die op beroepsactieve leeftijd ook effectief aan de slag zijn, omhoog moet. Europa streeft in het kader van de Europa 2020-strategie naar een werkzaamheidsgraad die minstens 75 % bedraagt. Vlaanderen zit daar nog enkele procentjes van af, maar Wallonië zit meer dan 10 % lager, en Brussel nog veel lager. 

Dus meer jobs! En het ontmoedigen van niet-werken! En dat is nu net de grote doelstelling van deze federale regering. Ze heeft al maatregelen genomen om dit te bereiken, o.m. door de loonkostenhandicap te verkleinen. Maar ook de sociale partners hebben een rol te spelen bij het langer aan het werk houden van werknemers. Zowel op interprofessioneel als op sectoraal vlak moet dit thema van de vergrijzing een prioriteit worden. Maar nooit ten koste van de concurrentiekracht, want dat zou het probleem alleen maar verergeren. 

Fa Quix, directeur-generaal