De shift van de tax shift

Opinie van 13/05/2015 door Fa Quix

Het moet hét politieke debat van de komende maanden worden: het ‘tax shift’-debat. Laat ons er nog even aan herinneren hoe dit debat is ontstaan: de veel te hoge loonkosten in ons land moeten worden verlaagd om onze bedrijven competitiever te maken, zodoende dat er een groeidynamiek ontstaat en er meer jobs kunnen worden gecreëerd. Zowat alle gerenommeerde internationale organisaties en instellingen van de OESO over de EU tot de ECB bevelen dit aan. In de regeringsverklaring werd dan ook terecht opgenomen dat de werkgeverslasten (RSZ-bijdragen) op arbeid moeten dalen van 33 % naar 25 %.

Om geen schok langs de inkomstenzijde te veroorzaken, werd en wordt aanbevolen om de inkomstenderving veroorzaakt door de lagere patronale RSZ-bijdragen te compenseren. Het moet een budgetneutrale operatie zijn, vandaar ‘tax shift’. Hoe die compensatie moet verlopen? Wel, ook daarover bestaat bij de genoemde internationale instellingen een grote consensus: via hogere inkomsten uit drie posten: consumptie, vervuiling en vermogens(inkomsten). Bepalen hoe dit moet verdeeld worden over deze drie posten, en via welke concrete maatregelen, is precies de taak van de regering.

Het debat ging tot voor kort dus over de verdeling over deze drie posten, waarbij de vakbonden vooral de nadruk leggen op de derde post, de vermogens(winsten). Maar tot onze verbijstering is de jongste weken de consensus over de tax shift als operatie om de concurrentiekracht te verbeteren, verdwenen. Plots is het debat ook verschoven naar de uitgavenzijde, waar het voordeel van de tax shift naartoe moet gaan.

De vakbonden en sommige politieke partijen, daarin gesteund door bepaalde media, proberen nu het laken naar zich toe te trekken: er moet ook een deel terugvloeien naar de werknemers, want dat zou volgens hen “niet meer dan rechtvaardig zijn”. Want “de gewone man (vrouw) moet al genoeg de rekening betalen”, zo klinkt het nogal populistisch. Nochtans doet de regering al inspanningen op vlak van het netto-inkomen door de forfaitaire kostenaftrek in de personenbelasting te verhogen en de werkbonus voor de lage lonen uit te breiden. En er werden ook een aantal sociale correcties (“welvaartsaanpassingen”) doorgevoerd, vooral voor de laagste uitkeringen en pensioenen. Deze komen allemaal de koopkracht ten goede.

Met hun vraag naar het terugvloeien van het tax shift-effect naar koopkracht verliezen de vakbonden (e.a.) de oorspronkelijke doelstelling van lagere patronale RSZ-bijdragen volledig uit het oog: tienduizenden extra jobs. En zoals VBO-topman Pieter Timmermans het uitdrukte: “De beste koopkrachtmaatregel is een job”. Werkgevers zijn niet tegen een verhoging van de koopkracht. Maar één en ander moet wel in de juiste volgorde gebeuren. Zonder competitieve bedrijven gaan jobs verloren en worden er te weinig nieuwe gecreëerd. Dat leidt alleen maar tot koopkrachtverlies. Competitieve bedrijven daarentegen zorgen voor groei, jobs en dus koopkracht. 

Het is nogal (groeps-)egoïstisch vanwege ‘de insiders’ (die al een job hebben) om een deel van de tax shift voor zichzelf op te eisen en daarmee de kansen op een job voor ‘de outsiders’ (zij die op zoek zijn naar een job) verder te verkleinen. Of hoe het tax shift-debat asociaal dreigt te worden en zijn doel (meer zuurstof, meer jobs en finaal meer koopkracht in de economie) dreigt te missen.

Fa Quix, directeur-generaal, en Filip De Jaeger, adjunct-directeur-generaal