De federale regering kan en moet meer doen voor het behoud van de concurrentiekracht van de industriële bedrijven. Onze welvaart hangt er van af.

Opinie van 07/01/2022 door Fa Quix

Dat we net zoals vorig jaar de overgang ‘van oud naar nieuw’ in de ban van ‘het virus’ zouden meemaken, hadden weinigen verwacht. Zeker nadat er in de loop van 2021 massaal gevaccineerd werd en ons op basis daarvan ‘Het Rijk der Vrijheid’ was beloofd, in de herfst. Niet dus.

Dat het virus nog niet helemaal is uitgewoed, kunnen we de regeringen uiteraard niet kwalijk nemen. Maar dat zij wéér hun niet-werkende recepten van sluiting van sectoren, en de uitbreiding van de coronapas (CST) oplegden, is heel wat minder begrijpelijk. Het werd dus tijd dat de Raad van State eind 2021 het Overlegcomité terecht wees voor de disproportionele en niet-onderbouwde sluiting van de cultuur- en evenementensector. Tegelijk kan men zich de vraag stellen waarom de Raad van State niet eerder is opgetreden tegen een aantal coronamaatregelen die minstens even onredelijk en arbitrair waren, zoals de avondklok, de sluiting van de zogenaamde niet-essentiële winkels, het onderscheid tussen tuincentra (open) en meubelwinkels (gesloten), het verplicht volledig thuiswerk, en nog veel meer. ‘Nooit meer lockdown!’ riep de Eerste Minister na de eerste golf.

Daarnaast zijn er tal van andere kopzorgen en bedreigingen voor de bedrijven. Te beginnen met de energiecrisis, die nog een langetermijnstaart dreigt te krijgen in geval van sluiting van alle kerncentrales. Nu de Europese Commissie kernenergie als groene energie aanvaardt, in haar taxonomie, heeft de federale regering geen enkel argument meer om die kernuitstap te rechtvaardigen, laat staan uit te voeren. En dus moet die teruggedraaid worden, in het belang van de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit. Zonder kernenergie is de industrie in België fundamenteel bedreigd, en dus ook onze toekomstige welvaart.

Zonder kernenergie is de industrie in België fundamenteel bedreigd, en dus ook onze toekomstige welvaart.

Daarnaast zijn er ook nog de ontsporende loonkosten. Heel wat industriële sectoren, die met scherpe buitenlandse concurrentie geconfronteerd worden, zullen hun loonkosten op 2 jaar tijd met ruim 6 % zien stijgen, alleen al door de automatische loonindexering. In de ‘loonnorm’ werd slechts met 2,8 % (voor 2021-2022) rekening gehouden... Die kloof kan op korte termijn alleen worden overbrugd door minstens één indexsprong. Dat is een ongemakkelijke waarheid. Die zal moed vergen in de schoot van de federale regering. Maar men moet goed beseffen dat zonder ingreep de industrie massaal veel bestellingen zal verliezen aan de buitenlandse concurrentie, wegens te duur. Dat zal ons jobs, welvaart en welzijn kosten.

Een derde bedreiging: het tekort aan arbeidskrachten. Er is het tijdelijke probleem van de vele afwezigheden op de werkvloer door de te strikte test- en quarantainemaatregelen. Die worden versoepeld vanaf 10 januari, en dat komt niets te vroeg. Maar meer structureel bieden zich te weinig mensen aan om te gaan werken. Het aantal werkzoekenden is nog steeds te hoog, maar nog meer het aantal langdurig zieken. En dan is er nog de grote groep van niet-actieven. Deze arbeidsmarktkrapte kan bijgevolg alleen met een arsenaal aan maatregelen succesvol worden aangepakt. De federale minister van Werk en zijn regionale collega’s moeten hier meer dan één versnelling hoger schakelen. En daarin ook selectieve economische migratie opnemen.

De federale regering kan en moet meer doen voor het behoud van de concurrentiekracht van de bedrijven, inzonderheid van de industrie, en voor het verbeteren van de welvaart van de burgers.

Fa Quix, directeur-generaal